Werken met woningstations

Een toekomstbestendige manier van verwarmen

De combinatie van woningstations met een centrale stookplaats staat meer en meer in de belangstelling. De techniek kan op diverse schaalgroottes worden ingezet: van grote warmtenetten voor stadswijken tot een installatie voor enkele appartementen in een flatgebouw. Behalve de voordelen in ontwerp en gebruik, hebben ze nog belangrijke troef: ze maken de latere overschakeling op hernieuwbare energie eenvoudiger. Met woningstations maakt men een installatie toekomstbestendig.

Gasbrennwert-Gewerbe-XL.jpg

Voordelen in ontwerp en gebruik

Als we kijken naar traditionele verwarmingstechnieken, dan heeft de combinatie van woningstations met een centrale stookplaats een aantal voordelen. Naarmate de warmtebehoefte van de individuele woning daalt, wordt het moeilijker om een ketel te vinden die laag genoeg kan moduleren. Als men weet dat een modern appartement voldoende heeft aan 2-3 kW, dan is het zeker in de projectmarkt ondoenbaar om een passende ketel te vinden. Een standaard ketel is echter overgedimensioneerd is, en zal een slecht rendement halen. Bij een warmtenet met woningstations kan men er echter voor zorgen dat elke woning het juiste vermogen krijgt. Daardoor kan men er zeker van zijn dat de retourtemperaturen zo laag mogelijk blijven. Dat is doorslaggevend voor de zuinige werking van een condensatieketel.

Ook in de uitbating zijn er voordelen: er hoeft maar één warmtegenerator onderhouden en gecontroleerd te worden, in plaats van dat dit anders bij elke wooneenheid apart moet gebeuren. Bovendien vermijden woningstations een van de belangrijke twistpunten bij centrale stookplaatsen: de verbruiksopname en kostenverdeling kunnen automatisch verlopen. Omdat er geen gasleidingen of verbrandingstoestel in de appartementen zelf zijn, is de combinatie woningstation-centrale stookplaats ook inherent veiliger.

Gebouwtechnisch is het ook een handige oplossing: men hoeft per appartement geen aparte stookruimte met rookgasafvoer aan te leggen. Dat vergroot de nuttige oppervlakte. Natuurlijk moet er in het gebouw wel plaats zijn voor de centrale stookplaats en de verdeelleidingen. Vergeleken met een systeem met individuele ketels, neemt een gecentraliseerd systeem echter nauwelijks extra ruimte in de gemeenschappelijke delen in. Bij individuele ketels is er namelijk ook een tellerlokaal nodig, en moeten er gasleidingen naar de appartementen getrokken worden.

Gaestehaus_Berlin.jpg

Wat met de prijs?

Een veelgehoord bezwaar is wel dat men niet alleen een centrale stookplaats moet aanleggen, maar bovendien nog per wooneenheid een apart toestel moet kopen en plaatsen. Dat doet de totale kosten oplopen. Tot nu toe blijven woningstations nog relatief duur. Dat heeft alles te maken met de beperkte schaal van de productie. Zodra de volumes stijgen,
wordt het interessanter om geautomatiseerde  productiemethoden in te zetten, waardoor de prijzen zullen dalen.

Als omslagpunt wordt nu gewoonlijk 25 eenheden gehanteerd. Dat is echter niet meer dan een vuistregel: voor elk project moet men concreet de mogelijkheden bestuderen: hoeveel plaats bespaart men binnen de appartementen, hoe verloopt de leidingaansluiting, in hoeverre is het gemakkelijker om een technische schacht aan te leggen dan een collectieve
rookgasafvoer?  

Toekomstbestendige installaties

Woningstations zijn een toekomstbestendige oplossing. Dit aspect wordt wel eens onderschat. De beleidslijn is: om de klimaatverwarming tegen te gaan, moeten we naar een grotendeels koolstofvrije maatschappij. De gebouwen die nu gezet of gerenoveerd worden, zullen het energiegebruik van de komende jaren bepalen. Het is daarom aan te raden om nu al de overschakeling op een koolstofarme verwarmingsmethode te voorzien, ook maakt men er aanvankelijk nog geen gebruik van. We kunnen hierbij denken aan restwarmte, zonnecollectoren of WKK. Dit besef begint al door te dringen bij projectontwikkelaars. In Antwerpen-Zuid, bijvoorbeeld moet men bij nieuwbouwappartementen er al voor zorgen dat ze later kunnen aangesloten worden op een warmtenet.  

Brennstoffzelle-XL.jpg

Hoe eraan beginnen?

De eerste prioriteit is om de warmtebehoefte van de woningen te bepalen. Op basis daarvan moet immers het ketelvermogen en een eventueel buffervat worden gedimensioneerd. De tweede belangrijke parameter is de SWW-behoefte. Die bepaalt immers de grootte van de
warmtewisselaar van het station, wat op zijn beurt een invloed heeft op de dimensionering van het opwekkingssysteem.

In de volgende stap wordt het hydraulisch concept uitgewerkt, vooral wat debieten en temperaturen betreft. In functie daarvan moet immers het juiste type van woningstation gekozen worden. Daarbij moet men met verschillende factoren rekening houden, zoals het vereiste piekvermogen voor SWW, het regime en debiet van het afgiftesysteem voor verwarming, een eventuele scheiding tussen een primair en een secundair verwarmingscircuit.... Een van de grote troeven van woningstations is immers de grote variëteit aan hydraulische configuraties. Als specialist heeft Viessmann een oplossing voor elke situatie. Zo bestaat er zelfs een uitvoering die enerzijds lage aanvoertemperaturen kan leveren voor vloerverwarming, en tegelijk via een speciale bypass een badkamerradiator van hoge temperatuur kan voorzien.  

viessmann-team-23.jpg

Ondersteuning vanwege de fabrikant

De sleutelfiguur in het hele project is de EPB-verslaggever. Er zijn immers tal van parameters die juist moeten worden ingegeven in de software om tot de meest optimale score te komen. Het werkingsregime en dan vooral de retourtemperatuur is daar een van. Ook het monteren van energiemeters heeft een gunstige invloed op het E-peil: men kan er 5 tot 7 punten mee winnen. Veel hangt ook af van het interne ontwerp van het woningstation, zoals de interne isolatie van de warmtewisselaar, of de regelmogelijkheden. Viessmann biedt op dit vlak een extra dimensie, omdat het debiet op twee niveaus geregeld wordt: in het woningstation zelf, maar ook centraal op niveau van de stookplaats. Zo worden circulatieverliezen tot een minimum beperkt, omdat de ketel bij geringe vraag het vermogen zal laten dalen.

Omdat het een hele klus is om alle gegevens uit documentatie en VEA-gegevensbanken af te leiden, kan Viessmann de EPB-verslaggever bijstaan bij het indienen van het project. Daarnaast kan de ontwerper en uitvoerder ook op een volledige ondersteuning rekenen voor de selectie, ontwerp en dimensionering van de installatie.